© Internationaal Klompenmuseum, Eelde
De klomp door
Ontwerp

De klomp

De klomp sterft uit

De klomp is, naast kaas en wiet, een van de bekendste iconen van ons land. Weinig toeristen verlaten Nederland zonder klompensouvenir. Toch draagt er bijna niemand meer klompen. En dat terwijl het helemaal nog niet zo lang geleden is dat we massaal op dit houten schoeisel liepen. 

In 1925 waren er ongeveer 4.000 klompenmakers in Nederland. In 1950 was dit aantal al meer dan gehalveerd. Op dit moment zijn er nog maar twaalf klompenfabrieken over en zijn er naar schatting slechts vijf ambachtslieden die nog klompen met de hand maken. Dit zijn vaak modellen die niet door een machine te vervaardigen zijn. Ook brengen zij handmatig snij- en schilderwerk aan. Elke klompenmaker had zijn eigen model en gebruikte zijn eigen kleuren (als een soort handtekening). Vandaar dat er zoveel verschillende modellen klompen zijn. 


Klompen worden bij voorkeur gemaakt van hout van de wilg en de populier. Deze bomen groeien snel waardoor het hout zacht en licht is en dus makkelijk te bewerken. Tot ongeveer 1920 werden de klompen niet beschilderd. Werkklompen bleven zelfs helemaal onbewerkt. Zondagse klompen werden gladgeschuurd en versierd met snijwerk. Dit zogenaamde ritswerk was in elke streek anders. Na 1920 begon men de klompen pas te beschilderen. Klompen die werden gedragen op kleigrond werden meestal zwart geschilderd en klompen die werden gedragen op zandgrond geel. Op de bovenkant werden ook dikwijls stippen geschilderd, alsof er vetergaten in de klomp zitten. Waarschijnlijk deed men dit om de houten gevaartes zoveel mogelijk op schoenen te laten lijken. 

Ondanks dat de klomp een Nederlands fenomeen is, is het niet typisch Nederlands. In België en Frankrijk droeg minstens zoveel mensen klompen. En ook in Portugal, Spanje, Engeland,  Duitsland, Denemarken en Zweden was het niet ongebruikelijk voor boeren om klompen te dragen. Eigenlijk heeft heel Europa op klompen gelopen.